Dierenwelzijn verdient een plek in de economische wetenschap

vrijdag, 19 juni 2026 (00:12) - ESB.nl

In dit artikel:

Economische literatuur besteedt tot nu toe nauwelijks aandacht aan dierenwelzijn, terwijl menselijke keuzes enorme aantallen dieren raken: in Nederland worden volgens CBS (2026) jaarlijks meer dan 500 miljoen landdieren geslacht; het aantal gedode vissen is naar schatting veel hoger, en wereldwijd gaat het om honderden miljarden dieren. In krappe huisvesting treden fysieke en gedragsproblemen op (botbreuken, ontstekingen, verenpikken, staartbijten), maar economen behandelen zulke effecten zelden systematisch.

Nicolas Treich wil met zijn boek Animal Economics (2025) dit vakgebied zichtbaarder maken en biedt een inleiding in animal welfare economics binnen de gebruikelijke welvaartseconomische kaders. Hij bespreekt twee manieren om dierenwelvaart in economische analyse op te nemen: indirect via menselijk concern en direct als onderdeel van de sociale welvaartsfunctie.

Bij de indirecte benadering neemt Treich aan dat mensen om dieren geven, waardoor hun nutsfunctie ook afhankelijk is van de toestand van dieren. Dierenwelzijn krijgt zo het karakter van een publiek goed en veroorzaakt positieve externe effecten die consumenten bij aankoopgedrag niet meetellen. Dit verklaart verschijnselen zoals de “vote-buy gap”: burgers stemmen vaak diervriendelijker dan zij consumeren (voorbeeld: stemmen tegen kleine leghennenkooien in Californië, terwijl het grootste deel van de gekochte eieren nog uit dergelijke omstandigheden kwam). Treich onderscheidt ook een kenniseffect: consumenten overschatten de levenskwaliteit van dieren in de veehouderij, waardoor dierenwelzijn als meritgoed wordt geclassificeerd. Marktuitkomsten weerspiegelen daardoor niet volledig maatschappelijke voorkeuren en vormen een argument voor overheidsingrijpen; betalingsbereidheid mag niet louter uit marktafspraken worden afgeleid.

De directe benadering gaat verder: dieren zelf hebben subjectieve ervaringen (plezier, pijn, angst) en die zouden rechtstreeks in de sociale welvaartsfunctie kunnen worden opgenomen — een fundamenteel verschuiving weg van antropocentrisme. Praktisch stuiten economen op grote uitdagingen: dieren kunnen niet rechtstreeks hun voorkeuren uitdrukken en wisselen niet in termen van geld. Observatie van dierengedrag kan voorkeuren afleiden, maar data en de zekerheid over de begripsomvang van acties ontbreken vaak.

Als praktische meetlat introduceert Treich het five freedoms-framework (vrijheid van honger, angst, ziekte, ongemak en om normaal gedrag te vertonen), met scores van 0 (net waardevol om te leven) tot 1 (optimale welvaart). Dat roept ethische vragen op — bijvoorbeeld of het fokken van kuikens die binnen dezelfde dag worden gedood als welvaartsbevorderend mag gelden als hun korte leven “goed genoeg” is. Voor waardering tussen soorten stelt Treich het aantal neuronen in de voorhersenen voor als proxy voor het ervaringsvermogen (nutspotentieel), waarmee je dierenlevens kunt wegen en zelfs monetariseren door menselijke QALY-betalingsbereidheid te converteren. Daarnaast kunnen soortengewichten in de sociale welvaartsfunctie worden ingebouwd, analoog aan gewichten binnen menselijke groepen.

Treich behandelt ook andere thema’s — welvaart van wilde dieren en huisdieren, de moraliteit van markten en psychologische aspecten van mens-dierrelaties — en levert zo een breed overzicht van waar animal welfare economics staat. Het boek is vooral bedoeld als startpunt voor economen en beleidsmakers die dierenwelzijn serieus willen integreren in economische analyse; het maakt duidelijk dat zowel theoretische modellen als praktische meetmethoden nog verder ontwikkeld moeten worden om beleid en markt beter op dier- en menspreferenties af te stemmen.

BEKIJK OOK:

De Oranjezomer: Hugo Borst maakt statement tegen Ronaldo: 'Er is een complot gaande...'