Drie procent R&D is haalbaar en noodzakelijk

woensdag, 28 oktober 2026 (00:12) - ESB.nl

In dit artikel:

Nederland haalt al decennia niet de doelstelling om drie procent van het bbp aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) te besteden. De R&D-intensiteit ligt sinds vijftig jaar tussen 1,6 en 2,4 procent en dreigt bij ongewijzigd beleid in 2030 op ongeveer 2,1 procent uit te komen. Toch is de doelstelling volgens de auteurs wel haalbaar. Dat is belangrijk, omdat hogere productiviteit en innovatie nodig zijn om de kosten van vergrijzing, defensie, klimaat en andere maatschappelijke opgaven te dragen.

Vaak wordt de relatief grote Nederlandse dienstensector aangewezen als oorzaak van de achterstand. Een eigen shift-share-analyse, gebaseerd op cijfers uit 2022 en een vergelijking met R&D-intensievere OESO-landen, bevestigt dat de sectorstructuur ongeveer 0,5 procentpunt van de achterstand verklaart. De resterende achterstand ontstaat doordat Nederlandse bedrijven binnen hun sector minder aan R&D uitgeven dan buitenlandse sectorgenoten. De sectorstructuur is dus geen doorslaggevende belemmering.

Bovendien is de Nederlandse economie sinds 2013 al geleidelijk R&D-intensiever geworden. Vooral de farmaceutische industrie en de machine-industrie, waaronder het ecosysteem rond ASML, groeien sterk. Omdat meer dan zestig procent van de private R&D-uitgaven uit slechts zes sectoren komt, kan groei in enkele kennisintensieve sectoren de nationale R&D-intensiteit aanzienlijk verhogen. Ook stijgt internationaal het aandeel van de toegevoegde waarde dat bedrijven aan R&D besteden, waardoor de toekomstige benchmark hoger komt te liggen dan de cijfers van 2022 suggereren.

België laat zien dat een vergelijkbare kleine, open economie binnen dezelfde soort sectorstructuur wel degelijk de drieprocentsgrens kan bereiken. De Belgische R&D-intensiteit steeg vooral tussen 2015 en 2020, vrijwel volledig doordat bedrijven binnen bestaande sectoren meer gingen investeren. Sectoren als farmacie, IT-dienstverlening en ingenieursbureaus zijn ook in Nederland aanwezig, maar besteden hier relatief weinig aan onderzoek. Zo gaf de Belgische farmaceutische sector in 2022 ongeveer tien keer zoveel uit aan R&D als de Nederlandse, terwijl de Belgische toegevoegde waarde slechts anderhalf keer zo groot was.

Om de doelstelling in 2030 te halen, moet Nederland volgens de auteurs de voorwaarden voor R&D-intensieve bedrijvigheid verbeteren. Tekorten aan talent, woningen en netcapaciteit, het stikstofprobleem en beperkte ruimte remmen uitbreidingen en nieuwe vestigingen. De aanpak rond Project Beethoven, gericht op ASML en zijn toeleveranciers, kan als voorbeeld dienen voor andere regionale ecosystemen. Tegelijk moet Nederland voorkomen dat de R&D-basis te sterk afhankelijk wordt van één bedrijf of cluster.

Daarnaast is langdurige publieke financiering nodig. Publieke middelen vervangen private investeringen niet, maar trekken die juist aan; minder overheidsfinanciering leidt doorgaans ook tot minder bedrijfs-R&D. De auteurs pleiten daarom voor een samenhangend en stabiel beleid met onder meer een nieuw Groeifondsachtig instrument voor missiegedreven innovatie, een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie en een Nationale Investeringsinstelling. Deze instrumenten moeten naast bestaande regelingen blijven bestaan en verschillende fasen van onderzoek, ontwikkeling en opschaling ondersteunen.

De conclusie is dat niet de Nederlandse sectorstructuur, maar de kwaliteit en consistentie van het innovatiebeleid bepalen of het land richting twee procent afglijdt of drie procent bereikt. Langjarige investeringen, betere randvoorwaarden en beleid dat niet bij iedere kabinetswisseling sterk verandert, zijn daarvoor noodzakelijk.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Valentijn Driessen onthult KNVB-regeling voor Bas Nijhuis: 'Daar kan je nooit op zakken'