Een vermogenswinstbelasting kost miljarden en geeft welvaartsverlies
In dit artikel:
Het debat over hervorming van box 3 spitst zich toe op twee manieren om vermogens te belasten: een vermogensaanwasbelasting (vab, heffing bij aanwas) versus een vermogenswinstbelasting (vwb, heffing bij verkoop). De regering stelt een vab voor voor beleggingen (met uitzondering van onroerend goed dat onder een vwb zou vallen), terwijl een parlementaire meerderheid en sommige bedrijfsorganisaties uiteindelijk overal een vwb willen invoeren. Kritische geluiden beweren dat een vwb juist tot meer vermogensopbouw en dus hogere opbrengsten zou leiden. Deze kwantitatieve analyse komt tot een andere conclusie: een vab is te prefereren wat betreft opbrengsten, efficiëntie, vermogensopbouw en welvaart.
Belastingdruk en timing
Het fundamentele verschil tussen beide systemen is timing. Onder een vab wordt de jaarlijkse waardestijging direct belast; onder een vwb wordt belasting pas bij realisatie (verkoop) geheven. Daardoor kan een belegger onder een vwb fiscaal voordeel behalen door verkoop uit te stellen en rendement over het uitgestelde deel te blijven opstrijken. Dat verlaagt het effectieve tarief op termijn. Met het in het artikel gehanteerde statutair tarief van 36 procent en historische rendementscijfers leidt uitstel bij aandelen tot substantieel lagere effectieve tarieven: bij tien jaar houdperiode daalt het effectieve tarief op MSCI-aandelen van 36% naar circa 27,3%, bij twintig jaar naar 21,2% en in de limiet naar ongeveer 8% (voor dividendloze koerswinsten zelfs richting nul).
Symmetrie en retrospectieve oplossing
Belastingneutraliteit tussen vermogenscategorieën is wenselijk om ongewenste verschuivingen in portefeuilles te vermijden. Het voorgestelde stelsel doorbreekt die symmetrie doordat onroerend goed met een vwb en andere beleggingen met een vab worden belast. Auerbach (1991) toont dat een ‘retrospectieve’ vwb (waarbij bij verkoop ook een hogere heffing wordt toegepast om het uitstelvoordeel te neutraliseren) economisch equivalent is aan een vab; het tarief op realisatie stijgt dan met houdduur en gemiddelde waardegroei om uitstelvoordeel te compenseren.
Opbrengsten: korte termijnverlies, lange termijn gelijkheid
Met een overlappend-beleggingscohortmodel en actuele portefeuillegegevens (brutogrondslag ca. €635 mrd; nettogrondslag ca. €500 mrd met samenstelling spaargeld, aandelen, obligaties, onroerend goed en schulden) worden vier stelsels doorgerekend (volledige vab, volledige vwb, wetsvoorstel met mix, en wetsvoorstel met retrospectieve vwb voor vastgoed). Belangrijke uitkomsten:
- Op lange termijn convergeren volledige vab, volledige vwb en het huidige wetsvoorstel naar eenzelfde structurele opbrengst: circa €9,8 mrd per jaar (ex ante, zonder gedragsreacties). Dat is ongeveer €2 mrd meer dan het huidige forfaitaire stelsel.
- Het verschil zit in het transitiepad: bij invoering van een vwb worden bestaande ongerealiseerde winsten niet meteen belast, waardoor in de eerste jaren substantieel minder binnenkomt. In jaar 1 levert het wetsvoorstel ongeveer €7,3 mrd op, een volledige vwb slechts €5,2 mrd (vergelijk: huidig forfaitair ~€8,2 mrd).
- De cumulatieve onverdisconteerde transitiederving over tien jaar is groot: circa €14,1 mrd bij een volledige vwb en €12,0 mrd bij het wetsvoorstel. Een retrospectieve vwb op vastgoed reduceert die derving naar €7,5 mrd omdat het uitstelvoordeel dan wordt geneutraliseerd.
- Om die transitiederving budgettair te compenseren, zouden de tariefniveaus tijdelijk omhoog moeten (bijv. naar circa 41–42% in de eerste tien jaar).
Belangrijke onzekerheden bij deze ramingen zijn dat ze ex ante zijn (geen gedragsreacties), dat houdperioden kunnen veranderen (bij verdubbeling van houdperioden stijgt de tienjaarsderving naar €24–30 mrd), dat portefeuillegewichten schattingen zijn en dat historische rendementen geen garantie voor de toekomst vormen.
Effect op vermogensopbouw en gedrag
Met een dynamisch stochastisch portefeuillemode lijkend op Merton/Samuelson wordt onderzocht of een vwb de vermogensopbouw substantieel zou vergroten door rente-op-rente-effecten. De conclusie: de totale vermogensopbouw verandert nauwelijks tussen vab en vwb. Vier gedragsreacties zijn wel zichtbaar:
1) Gemiddelde paden van vermogen en consumptie zijn grotendeels gelijk, omdat over de levensloop ongeveer hetzelfde totaal aan belasting wordt afgedragen.
2) Beleggers verschuiven richting risicodragende activa wanneer die relatief lager belast zijn.
3) De variatie in effectieve tarieven introduceert belastingrisico, dat afhankelijk van risicoaversie óf een hedge vormt tegen aandelenrisico óf dit risico versterkt.
4) Hogere verwachte portefeuilleopbrengsten beïnvloeden het consumptieprofiel en daarmee indirect wel de vermogensopbouw.
Kortom: het argument dat een vwb tot meer vermogensopbouw leidt en daardoor hogere opbrengsten oplevert, houdt niet stand in de kwantitatieve analyse.
Welvaartseffecten
Het belangrijkste economische bezwaar tegen een vwb is de fiscale bevoordeling van risicodragende ten opzichte van risicovrije beleggingen: lagere effectieve tarieven op aandelen en vastgoed prikkelen tot meer risico in portefeuilles dan maatschappelijk wenselijk. Dat vergroot volatiliteit van consumptie en reduceert levenstijdnut; de berekende welvaartsverliezen lopen op bij grote tariefverschillen. Een realistisch tariefverschil van circa 10–15 procentpunt leidt tot een welvaartsverlies van ongeveer 0,5% van levensconsumptie. Een vab, die alle activa tegen hetzelfde effectieve tarief belast, voorkomt deze portefeuilleverstoringen en maximaliseert het nut.
Beleidsconclusie
Hoewel een vwb investeerders een uitstelvoordeel biedt dat tijdelijk de contante belastingopbrengsten drukt, zijn de structurele opbrengsten van vab en vwb gelijk indien geen aanvullende maatregelen worden genomen. De vwb veroorzaakt echter grotere transitiederving, verhoogt fiscale prikkels naar risicovolle activa en leidt tot vermijdbare welvaartsverliezen. Een retrospectieve vwb kan symmetrie herstellen en transitiekosten beperken, maar de meest robuuste uitkomst van de analyse is dat een vab economisch superieur is wat betreft doelmatigheid, effecten op vermogensopbouw en welvaart.
Vandaag Inside: Bart Verbruggen ging flink tekeer: 'Ik probeerde iedereen heel scherp te houden'