Fiscale regeling startups moeilijk doelmatig vorm te geven

donderdag, 21 mei 2026 (00:12) - ESB.nl

In dit artikel:

De politieke discussie draait om fiscaal stimuleren van investeringen in Nederlandse start-ups en het mkb: Kamerleden deden in 2025 moties om mogelijkheden te verkennen en het nieuwe coalitieakkoord (2026) noemt expliciet de Vlaamse ‘win‑win‑regeling’ als onderzoeksoptie. Ook verschijnen alternatieven, zoals een Zweedse herinvesteringsregeling en een voorgestelde box‑3‑vrijstelling voor “kwalificerende technologieën” in rapporten van Wennink (2025–2026).

Waarom een fiscale prikkel? Er zijn twee mogelijke rechtvaardigingen. De eerste is het dichten van een financieringsgat: dat zou relevant zijn als veel veelbelovende start‑ups geen kapitaal vinden of als kapitaal pas later rendement oplevert. Voor Nederland is daarvoor echter weinig bewijs; kapitaal lijkt voorhanden, maar de verwachte rendementen op risicovolle start‑upinvesteringen zijn vaak onvoldoende. Andere oorzaken voor achterblijvende Nederlandse start‑upprestaties zijn marktgrootte en talentbeschikbaarheid, en bestaande instrumenten (zoals RVO‑subsidies) kunnen al veel knelpunten aanpakken. Een fiscale maatregel zou dan vaak bestaande transacties subsidiëren zonder nieuw kapitaal te mobiliseren.

De tweede, overtuigendere motivatie is dat start‑ups vaker sterke positieve externe effecten hebben op innovatie: nieuwe technologieën en kennis verspreiden zich in de economie en leveren maatschappelijke baten die niet volledig bij de investeerder terechtkomen. Als die externe baten belangrijk zijn, heeft de overheid reden om investeringen te stimuleren omdat private investeerders de volledige maatschappelijke waarde niet internaliseren.

Vijf criteria voor een doelmatige regeling
Op basis van internationale voorbeelden formuleren de auteurs vijf voorwaarden waaraan een fiscale start‑upregeling idealiter voldoet om innovatie te bevorderen:

1) Gericht op echte start‑ups: jonge, technologiegedreven bedrijven met schaalbare verdienmodellen, niet het brede mkb.
2) Focus op aandelenfinanciering: eigen vermogen past beter bij onzekere, vroeg‑fase ondernemingen dan schuldfinanciering.
3) Selectie op innovatiepotentieel: de regeling moet de kans vergroten dat middelen naar daadwerkelijk innovatieve projecten gaan.
4) Alleen (of vooral) professionele investeerders aantrekken: ervaren ‘angels’ en fondsbeheerders brengen niet alleen geld maar ook kennis en netwerk (‘smart money’).
5) Prikkels voor herinvestering of succesgericht belonen: belonen van succesvolle exits stimuleert herinvestering in nieuwe start‑ups.

Beoordeling van bestaande en voorgestelde regelingen
Historische en buitenlandse voorbeelden voldoen zelden aan alle vijf criteria. De Nederlandse Tante‑Agaathregeling en de Vlaamse win‑winregeling richten zich te veel op breed mkb, schuldfinanciering en particulieren, en leidden niet tot veel extra innovatieve aandelenfinanciering. De door Wennink voorgestelde box‑3‑vrijstelling voor kwalificerende technologieën kan meer aansluiten op start‑ups, maar veel hangt af van de exacte definitie en deze maatregel staat open voor alle investeerders, dus ook voor niet‑professionals.

De Zweedse herinvesteringsregeling blijkt robuuster: die geldt voor aandelen, trekt professionele beleggers aan (omdat alleen winsten überhaupt kunnen worden herbelegd) en prikkelt herinvestering na succesvolle exits. Wel ontbreekt expliciete selectie op typen bedrijven, waardoor de regeling minder gericht kan zijn op maatschappelijke innovatiewinst tenzij de overheid effectief selecteert. De Britse SEIS selecteert wél bedrijven op leeftijd, balansgrootte en sector, maar staat open voor particulieren en kent geen selectie op basis van eerder investeringssucces. Nederlandse SEED‑subsidies richten zich op professionele, vroege‑fase partijen maar werken via matching van inleg en selecteren aan de voorkant door de overheid.

Risico’s en afwegingen
Internationaal onderzoek toont dat fiscale prikkels vaak het volume van start‑upinvesteringen vergroten, maar niet per se leiden tot meer patenten, banen of succesvolle exits — soms zelfs tot excessieve toetreding waardoor welvaartswinst uitblijft. Veel regelingen trekken onervaren particuliere investeerders aan (‘family, friends and fools’) die minder goede selectie maken. Bovendien blijkt uit enquêtes en modellen dat ervaren angels relatief weinig gevoelig zijn voor belastingkortingen: hun beslissing richt zich vooral op het vinden van zeldzame ‘home runs’.

Conclusie en beleidsaanbeveling
Als doel is om innovatie maatschappelijk te stimuleren, is een fiscale regeling alleen zinvol wanneer die zeer gericht wordt vormgegeven volgens de vijf criteria. Van de onderzochte opties lijkt de Zweedse herinvesteringsregeling het meest veelbelovend om naar Nederlandse omstandigheden te vertalen, omdat zij professionele investeerders en herinvestering beloont. Tegelijk blijft onzeker of een dergelijke belastingmaatregel daadwerkelijk meer en meer innovatieve start‑ups oplevert: fiscale prikkels verhogen vooral het private rendement, maar stimuleren niet direct onderzoek en talentopbouw zoals subsidies voor R&D of investeringen in onderwijs wél doen. Gezien die onzekerheden kan belastinggeld soms effectiever worden ingezet voor onderwijs, academisch onderzoek, talentontwikkeling en bewezen innovatieinstrumenten (bijv. WBSO) dan voor een moeilijk doelmatig te ontwerpen fiscale regeling.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Bart Verbruggen ging flink tekeer: 'Ik probeerde iedereen heel scherp te houden'