Geen gezondheidsverbeteringen van praktijkondersteuner huisarts-ggz
In dit artikel:
De praktijkondersteuner huisarts ggz (POH-ggz) werd vanaf 2008 in Nederland opgezet om lichte psychische klachten binnen de huisartsenpraktijk op te vangen, zodat minder intensieve zorg dichtbij geleverd wordt, de druk op basis- en gespecialiseerde ggz afneemt, gezondheid en arbeidsparticipatie verbeteren en dat dit relatief goedkoop kan gebeuren. De inzet van POH-ggz is stapsgewijs uitgebreid: waar in 2008 vergoeding bestond voor maximaal 4,5 uur per standaardpraktijk, is dat plafond in 2024 verhoogd tot 16 uur. Als gevolg daarvan nam het aantal patiënten dat de POH-ggz bezoekt tussen 2011 en 2021 meer dan zes keer toe tot ruim 600.000 per jaar; de jaarlijkse kosten van deze inzet worden geschat op circa 360 miljoen euro (ongeveer 5% van het totale ggz-budget), met een inzet van ruim 3.000 FTE.
Onderzoeksvraag en data
Het artikel evalueert of die beleidsmatige uitbreiding de beoogde effecten heeft gehad: minder druk op de rest van de ggz, betere gezondheid en betere arbeidsmarktrelevante uitkomsten. De auteur koppelt routinegegevens van Nivel (huisartsenpraktijken) aan CBS-gegevens over zorggebruik, medicatie, inkomen en demografie. De analyse bestrijkt 1,2 miljoen personen die tussen 2011 en 2021 een huisartsconsult hadden gerelateerd aan mentale klachten; ongeveer 400.000 van hen ontvingen binnen een jaar een vorm van behandeling.
Onderzoeksopzet en validatie
Omdat patiënten die doorverwezen worden naar POH-ggz doorgaans andere kenmerken hebben dan patiënten naar andere zorglijnen, gebruikt de studie een instrumentele-variabele (IV)-benadering. Het instrument is de praktijkgebonden verandering in de mate van inzet van POH-ggz door de uitbreiding van financieringsmogelijkheden: sommige huisartsenpraktijken namen eerder of sterker POH-ggz in dienst, waardoor er exogene variatie in aanbod ontstaat. De analyse maakt gebruik van praktijk- en tijds-fixed effects en voert placebo-tests uit (controle op voorafgaand zorggebruik en op samenstelling van patiënten) om te tonen dat de instrumentvariatie niet samenhangt met veranderingen in patiëntenpopulaties of historisch zorggebruik. Deze checks ondersteunen de interpretatie van de resultaten als causale effecten van POH-ggz-inzet.
Belangrijkste bevindingen
- Geen verlichting van de rest van de ggz: meer inzet van POH-ggz leidt wel tot meer contact met en behandeling door POH-ggz in de eerste twee jaar, maar gaat niet samen met een blijvende daling van huisartsconsulten, doorverwijzingen naar de basis-ggz, gespecialiseerde ggz of medicatiegebruik. Er wordt zelfs sprake van een stijging van huisartsconsulten op de lange termijn en een herstel (of toename) van doorverwijzingen naar de basis-ggz in opvolgende jaren. Collectief gezien is er dus geen substitutie-effect waarmee POH-ggz de druk op andere onderdelen reduceert.
- Geen aantoonbare gezondheidswinst: analyses van zelfgerapporteerde gezondheidsscores (CBS Gezondheidsmonitor) en, waar beschikbaar, GAF-scores uit gespecialiseerde ggz laten geen significante verbetering zien in de vier jaar na het eerste huisartsconsult. Placebo-tests op de vier jaar voorafgaand tonen eveneens geen effecten, wat de conclusie van afwezigheid van gezondheidswinst ondersteunt.
- Geen verbetering van arbeidsmarktuitkomsten: er is geen significant effect op maandlonen of andere arbeidsmarktrelevante indicatoren tot tien jaar na het eerste consult.
- Ongelijkheid bleef bestaan of verscherpte zich: groepen die vóór de invoering al minder gebruik maakten van ggz (mannen, lager opgeleiden, mensen met migratieachtergrond, ouderen) bleven relatief ondervertegenwoordigd bij POH-ggz-bezoek. Een deel van de groei in POH-gebruik komt uit personen die vóór de POH-ggz al gebruikmaakten van ggz, wat niet tot bredere inclusie heeft geleid.
- Kosten en efficiëntie: omdat POH-ggz-behandeling de andere vormen van ggz niet substantieel vervangt, zijn de totale uitgaven aan mentale gezondheidszorg opgeteld juist toegenomen. Gezien de relatief lage kosten per POH-patiënt (ongeveer €485 tegenover €5.586 per patiënt in basis- en gespecialiseerde ggz, NZA 2024) lijkt dit op het eerste gezicht kostenefficiënt, maar zonder substitutie of gezondheidswinst is de maatschappelijke meerwaarde beperkt.
Relatie tot eerdere literatuur en beleidsimplicaties
De bevindingen staan in contrast met een correlatieanalyse van het Nivel (Dros et al., 2024) die suggereerde dat POH-ggz doorverwijzingen naar hogere zorglijnen heeft teruggedrongen; in de huidige studie wordt aangetoond dat die correlatie waarschijnlijk wordt veroorzaakt door verschillen tussen praktijken en niet door een causaal effect van POH-ggz. De auteur concludeert dat drie van de vier beleidsdoelen van de POH-ggz niet zijn gehaald: drukvermindering op andere ggz-lagen, verbetering van gezondheid en van arbeidsmarktuitkomsten. Omdat lange wachtlijsten in de gespecialiseerde ggz juist substantiele gezondheidsschade en arbeidsverlies veroorzaken, pleit het artikel ervoor middelen en personeel wellicht doelmatiger in te zetten in die zwaardere zorglagen in plaats van uitbreiding van laagdrempelige POH-voorzieningen.
Tenslotte waarschuwt de auteur voor voortzetting van vergelijkbare uitbreidingen van laagdrempelige zorg (zoals voorgesteld in het recente IBO-rapport) zonder gelijktijdige, goed opgezette, causale evaluaties: zonder die monitoring bestaat het risico dat grote investeringen niet leiden tot de gewenste gezondheidseffecten en maatschappelijke baten. Het onderzoek is gefinancierd door NWO.
De Oranjezomer: Theo Janssen vol lof over Brian Brobbey: ‘Hij is niet te stoppen dan!’