Grotere transitieopgave gaat niet ten koste van steun klimaatbeleid EU
In dit artikel:
Nu Europese politici in verschillende landen pleiten voor een afzwakking van het klimaatbeleid, rijst de vraag of zij daarmee inspelen op kiezers in industriële regio’s. Een analyse van de uitslagen van acht Nederlandse Europese verkiezingen tussen 1989 en 2024 vindt daarvoor geen bewijs.
Centraal staat het Europese emissiehandelssysteem (EU-ETS), een belangrijk instrument om industriële broeikasgasuitstoot terug te dringen. Het aantal beschikbare emissierechten wordt volgens het huidige schema geleidelijk verminderd, met als doel vanaf 2039 geen nieuwe rechten meer uit te geven. Vooral energie-intensieve bedrijven moeten daardoor hun uitstoot sterk verlagen of hun productie verduurzamen. In de tweede helft van 2026 wordt het systeem geëvalueerd. De discussie daarover is opgelaaid nu niet alleen landen als Polen, Tsjechië en Oostenrijk, maar ook de leiders van Frankrijk en Duitsland kritiek uiten op de kosten. De ETS-prijs daalde daarop in februari 2026 in korte tijd van ongeveer 81 naar 72 euro per recht.
De politieke gevolgen van de industriële transitie kunnen twee kanten op werken. Werknemers en omwonenden kunnen vrezen voor banen, inkomen en de identiteit van hun regio, en daardoor stemmen op partijen die klimaatbeleid willen vertragen. Omgekeerd kunnen bewoners van vervuilde gebieden juist voor strengere maatregelen kiezen vanwege gezondheids- en leefbaarheidsproblemen. Eerdere onderzoeken naar onder meer hogere energieprijzen en banenverlies in de Amerikaanse kolenindustrie wijzen erop dat economische schade steun voor radicaal-rechtse of klimaatkritische partijen kan vergroten.
Om dit in Nederland te onderzoeken, koppelde de studie gemeentelijke verkiezingsuitslagen aan de industriële uitstoot per inwoner. Gemeenten werden ingedeeld van geen uitstoot tot een hoge uitstoot. Partijen werden op basis van hun stemgedrag in het Europees Parlement ingedeeld als voorstanders van versnelling van de klimaattransitie, voorstanders van vertraging of neutraal. Vervolgens werd vooral gekeken naar veranderingen rond 2020, na de invoering van de Europese Green Deal en de sterke stijging van de ETS-prijzen.
Gemeenten met veel industriële uitstoot stemmen gemiddeld juist relatief weinig op partijen die de klimaattransitie willen vertragen. Hun steun voor partijen die de transitie willen versnellen is doorgaans relatief hoog, al is dat verschil niet altijd statistisch significant. Na 2020 nam het aandeel klimaatvertragende partijen in alle typen gemeenten toe, maar ongeveer even sterk. Ook de steun voor klimaatversnellende partijen daalde in alle groepen in vergelijkbare mate. De verschillen tussen gemeenten met geen en veel uitstoot zijn in 2024 statistisch niet overtuigend. De analyse laat daarmee geen aanwijzing zien voor een specifieke electorale tegenreactie op het EU-ETS of de Green Deal in industriële gemeenten.
De uitkomsten blijven vrijwel hetzelfde bij andere partij-indelingen, alternatieve meetmethoden en controles voor onder meer inkomen, bevolkingsdichtheid en de samenstelling van de bevolking. Mogelijke verklaringen zijn dat het EU-ETS bedrijven een voorspelbaar afbouwpad biedt en dat Europese compensatieregelingen, zoals het Just Transition Mechanism, de nadelige gevolgen voor werknemers en regio’s beperken.
De onderzoekers waarschuwen wel voor beperkingen. Gemeenten zijn relatief grote analyse-eenheden en werknemers kunnen in een andere gemeente wonen dan waar zij werken. Ook kan Nederland door de korte afstanden en beperkte regionale concentratie van industrie verschillen van landen als Polen of Italië. Onderzoek op stembureauniveau en naar Tweede Kamerverkiezingen, waar de opkomst hoger ligt, kan daarom een vollediger beeld geven.
Vandaag Inside: 'Ajax-trainer Míchel Sánchez kun je nu al bijna afschrijven!'