Het nieuwe kabinet kan niet om eurobonds heen

vrijdag, 8 mei 2026 (00:12) - ESB.nl

In dit artikel:

Het nieuwe coalitieakkoord (D66, VVD, CDA, 2026–2030) legt expliciet vast dat Nederland zich niet garant stelt voor gezamenlijke, hoofdelijke Europese staatsschulden — de zogenoemde eurobonds — maar staat onder voorwaarden open voor bepaalde gezamenlijke leningen via bestaande instrumenten zoals de Europese Investeringsbank, Macro-Financiële Bijstand en faciliteiten voor Oekraïne, en voor defensie-investeringen via het Europees Defensie­fonds en SAFE. Opvallend is dat het akkoord stil blijft over reeds bestaande en recent uitgegeven EU-leningen die het label “eurobonds” krijgen, zoals de 90 miljard voor Oekraïne en de grote coronapakketten (NextGenerationEU ~806 miljard; SURE ~100 miljard).

In de praktijk zijn eurobonds allesbehalve toekomstmuziek: de EU heeft momenteel ongeveer 650 miljard euro aan langlopende gezamenlijke schulden uitstaan en circa 30 miljard aan kortlopende schuldpapieren. Deze obligaties worden vooral gekocht door buy‑and‑hold-investeerders (banken, fondsen, verzekeraars, pensioenfondsen) en kennen doorgaans sterke belangstelling bij emissies. Ratingbureaus geven de EU voor haar obligaties de hoogste kredietstatus (AAA/Aaa). Daarnaast voorziet de voorgestelde meerjarenbegroting 2028–2034 in een permanent Crisis Response Mechanism waarmee de Commissie zonder telkens toestemming van de lidstaten snel voor grootschalige leningen kan zorgen; dat mechanisme kan een extra circa 400 miljard kredietruimte creëren.

Het Nederlandse politieke verzet tegen eurobonds steunt op drie bezwaren: (1) mogelijke herverdeling van rijke naar arme lidstaten, (2) verlies van budgettaire discipline, en (3) hogere rente voor Nederland. Volgens de auteur zijn deze bezwaren grotendeels ongegrond. Herverdeling valt te beperken door slimme inrichting van gezamenlijke leningen (bijvoorbeeld via back-to-back constructies). Volledige schulden‑mutualisatie staat nauwelijks op tafel; voorstellen richten zich meestal op het delen van bepaalde tranches of schulden boven/onder drempels, waarbij nationale obligaties naast gezamenlijke schuld blijven bestaan. Wat rente betreft laat de data zien dat EU‑obligaties vaak vergelijkbare of zelfs gunstiger rentes bieden dan sommige nationale benchmarks; het idee dat Nederlandse rente per definitie zou stijgen is een mythe.

De auteur pleit juist voor veel meer gezamenlijke schulduitgifte om economische en geopolitieke redenen. Eurobonds verminderen de druk op de ECB omdat ze speculatie tegen individuele lidstaatsschulden neutraliseren zonder dat de centrale bank monetaire instrumenten hoeft te vervormen. Ze maken hoge kapitaalkosten draaglijker voor kwetsbare landen door toegang te bieden tot AAA-gefinancierde bronnen. Daarnaast zouden Europese veilige activa (European Safe Assets) de kapitaalmarktunie en financiële integratie versterken, en Europa minder afhankelijk maken van de grote, vloeibare Amerikaanse obligatiemarkten — iets wat vooral in onzekere geopolitieke omstandigheden belangrijk is. Economische experts en instellingen (o.a. Blanchard & Ubide, Lagarde, DNB) tekenen steeds vaker aan dat gezamenlijke schulduitgifte nuttig kan zijn.

De conclusie is dat Nederland politiek blijft vasthouden aan een principieel nee tegen eurobonds, terwijl de feitelijke praktijk en de strategische argumenten steeds vaker pleiten voor meer Europese gezamenlijke leningen. De schrijver roept politici op hun weerstand los te laten en samen te werken aan goed ontworpen eurobonds die zowel financiële stabiliteit als de Europese geopolitieke positie versterken.