Hogere belasting op woningen kan ongelijkheid in vermogen verminderen
In dit artikel:
M. Kremer reageert op een analyse van M. van Denderen (ESB, 2025) over de verdelingseffecten van het afbouwen van de hypotheekrenteaftrek (HRA) of het verhogen van het eigenwoningforfait in Nederland. Van Denderen concludeerde op basis van statische modelberekeningen dat zwaardere belasting van de eigen woning de vermogensongelijkheid zou vergroten: middengroepen (decielen 5–9) hebben relatief veel vermogen in huis en zouden relatief harder worden geraakt dan de top, die hun vermogen breder gespreid heeft.
Kremer betoogt dat die conclusie misleidend kan zijn omdat ze een beperkt, statisch beeld gebruikt en belangrijke dynamische kanalen buiten beschouwing laat. Hij wijst op drie hoofdpunten:
- Vermogensopbouw en toegang: bezit van een eigen huis is sterk geconcentreerd; slechts ongeveer 6% van huishoudens in de laagste vermogensdecielen bezit een woning, tegen circa 89% in midden- en hogere decielen. Eigenaar-bewoners hebben gemiddeld ongeveer veertien keer meer vermogen dan huurders. Die verschillen zijn niet louter momentopnamen maar beïnvloeden gedurende jaren de mogelijkheden om te sparen en vermogen op te bouwen. Fiscale stimulering van koopwoningbezit versterkt deze kloof doordat voordelen vaker bij hogere inkomens met toegang tot de koopsector terechtkomen.
- Effecten via woonlasten, prijzen en toetredingskosten: maatregelen die woningbezit minder subsidiëren verlagen op termijn de huizenprijzen en ook de huren. Voor huurders, starters en niet-eigenaren betekent dit lagere woonlasten en lagere toetredingskosten, wat hun absolute spaarruimte en toekomstige vermogensopbouw vergroot. Daarmee werkt beleid via inkomens en kosten door in de vermogensverdeling — een mechanisme dat in Van Denderens statische analyse nauwelijks zichtbaar is.
- Gebruik van belastingopbrengsten en economische efficiëntie: Van Denderen negeert in zijn berekeningen hoe opbrengsten worden ingezet. Kremer benadrukt dat het herverdelen van opbrengsten — bijvoorbeeld naar lagere arbeidsbelasting voor lage en middeninkomens — de uiteindelijke verdelingseffecten sterk kan veranderen en zelfs gunstig kan uitpakken voor de meeste lagere en middeninkomens. Bovendien zijn de grootste absolute woningvermogens bij de allerrijksten te vinden, zodat zij in euro’s veel van een hogere belasting op woningwaarde dragen. Een verschuiving van belastingdruk van arbeid naar onroerend goed is economisch ook minder verstorend.
Kremer maakt verder onderscheid tussen instrumenten: het afbouwen van HRA treft vooral huishoudens met hoge schulden, terwijl een hoger eigenwoningforfait de woningconsumptie van alle eigenaar-bewoners beïnvloedt. Hij bekritiseert ook de gekozen ongelijkheidsmaatstaf van Van Denderen: die legt sterk de nadruk op verschillen met de top en negeert dat woningbeleid vooral via prijzen, toegang en opbouwsnelheid werkt — effecten die zich dynamisch manifesteren en op lange termijn vermogensverschillen kunnen verkleinen.
Van Denderen antwoordt kort: hij koos bewust voor een korte horizon en vermijdt speculatieve aannames over bijvoorbeeld besteding van opbrengsten; zijn uitspraak blijft relevant voor het huidige debat en de afweging van flankerende maatregelen bij eventuele afschaffing van de HRA.
Kremer’s conclusie: een breder, dynamisch perspectief — inclusief inkomenseffecten, woonlasten, toegang en revenugebruik — maakt duidelijk dat het terugschroeven van fiscale stimulering van woningbezit het potentieel heeft om ongelijkheid te verminderen in plaats van te vergroten.
De Oranjezomer: Hugo Borst maakt statement tegen Ronaldo: 'Er is een complot gaande...'