Industrie nog steeds kwetsbaar voor energieprijs
In dit artikel:
De blokkade van de Straat van Hormuz door de oorlog in het Midden-Oosten heeft de energieprijzen fors opgedreven en bedreigt een nieuwe energiecrisis. De verstoring van scheepvaartroutes en gerichte aanvallen op productie-infrastructuur in landen als Saudi-Arabië, Qatar en Iran drukken de mondiale olie- en gascapaciteit; ook als de doorgang snel heropend wordt, blijven prijzen naar verwachting het jaar hoog (2026-bronnen).
Vergelijking met 2022: structurele effecten en sectorverschillen
Al in 2022 leidde een energiecrisis tot sterke prijsstijgingen en signaleerde de industrie reacties zoals productiebeperkingen en verplaatsing van activiteit. Voor sommige subsectoren lijkt die krimp blijvend: de chemie en de basismetaalindustrie zijn nog niet terug op het productiepeil van vóór 2022 en de bijdrage van de chemie aan het bbp viel van 1,3% in 2021 naar circa 1,0% in 2024. Analyse met een structureel bayesiaans vector-autoregressiemodel (BVAR) — waarin een hypothetische 50%-stijging van energieprijzen wordt doorgerekend — toont dat chemie en basismetaal significant negatief reageren op hogere gasprijzen. De chemische productie daalt vrijwel direct en piekt in effect na circa acht maanden; bij basismetalen treedt het effect iets vertraagd op maar kan uiteindelijk groter zijn.
Tegelijkertijd lieten andere energie-intensieve sectoren, zoals bouwmaterialen en voedingsmiddelen, wel een dalende energie-intensiteit zien. Dat proces was grotendeels al vóór 2022 ingezet door lange-termijnbeleid (EU-richtlijnen, energiebesparingsplicht, CO2-heffing en EU ETS), en ging vooral makkelijker bij processen met lage tot middentemperaturen waar besparing en elektrificatie technisch haalbaarder zijn. De voedingsmiddelenindustrie vertoonde bovendien weinig productiekrimp vanwege inelastische vraag.
Ketenverbanden en verborgen kwetsbaarheid
Netwerkanalyse (eigenvector centrality) en input-output/Leontief-berekeningen laten zien dat de chemie ondanks lagere productie haar centrale positie in de keten heeft behouden. Daardoor blijft energieverbruik via toeleveranciers belangrijk: de chemie verbruikte in 2023 per euro output ongeveer €0,10 aan aangekochte energie plus €0,13 indirect via halffabricaten. In sommige sectoren (machinebouw, farmacie, metaalproducten) is het indirecte energieverbruik veel hoger dan het directe, wat de afhankelijkheid van energie voor een groot deel ‘verborgen’ maakt. Het aandeel van energie in de kosten van vrijwel alle sectoren is gestegen, al daalt dat aandeel wanneer gecorrigeerd voor sectorale prijsontwikkelingen — wat kan wijzen op efficiencyverbeteringen of verschuivingen naar minder energie-intensieve productie.
Weerbaarheid na 2022: geen overtuigend bewijs voor verbetering
Een aangepaste BVAR-test met een dummy voor 2022 vergelijkt de reactie van productie op energieprijzen vóór en na die jaarwisseling. Voor de chemie is in slechts 41% van de simulaties de prijsimpact vóór 2022 groter dan daarna — niet significant. Voor de andere sectoren ligt die kans eveneens onder 50%. Samengevat: er is weinig statistisch bewijs dat de Nederlandse industrie sinds 2022 wezenlijk minder gevoelig is geworden voor energieschokken.
Nuancering en beleidsrelevantie
De huidige schok verschilt van 2022: destijds was de verstoring vooral Europees door verminderde Russische leveringen, wat Europese concurrentiepositie aantastte; de Midden-Oostencrisis raakt wereldwijd en kan concurrentieverhoudingen anders beïnvloeden (soms zelfs tijdelijk verbeteren ten opzichte van Aziatische concurrenten). Daarnaast zijn veel bedrijven financieel verzwakt door eerdere crisisjaren, waardoor ze minder buffers hebben om nieuwe prijsstijgingen op te vangen. Conclusie: hogere energieprijzen blijven een hardnekkige rem op delen van de industrie en de kwetsbaarheid is sinds 2022 niet overtuigend afgenomen. Dat onderstreept het belang van beleid gericht op zowel energiezekerheid als gerichte ondersteuning van keten- en bedrijfsspecifieke weerbaarheid.