Inflatie van basisbehoeften verschilt van consumentenprijsindex
In dit artikel:
Inflatie treft niet elke Nederlander gelijk. Het gangbare maatstaf, de consumentenprijsindex (CPI), volgt de prijsontwikkeling van een gemiddeld consumptiemandje, maar verdoezelt verschillen in bestedingspatronen tussen inkomensgroepen en huishoudtypes. Omdat arme huishoudens een groter deel van hun budget aan essentiële uitgaven besteden en minder spaarbuffers hebben, kan dezelfde algemene inflatie voor hen veel harder aankomen.
Om het prijsverloop voor huishoudens op het sociaal minimum beter te vatten ontwikkelden het CBS en het Nibud samen de Primaire Levensbehoefte-index (PLI). Die index gebruikt Nibud‑voorbeeldbegrotingen voor acht typen minima‑huishoudens (o.a. eenpersoonshuishoudens, eenoudergezinnen, paren met/zonder kinderen) en vormt daarvan één representatief mandje met nadruk op woonlasten, energie en voeding. Compensaties via inkomensmaatregelen laten de makers buiten beschouwing, tenzij het om directe subsidies op uitgaven gaat (bijv. een energieplafond telt wél mee, een algemene energietoeslag niet).
De PLI wijkt structureel van de CPI. Ten opzichte van de CPI bevat de PLI een veel hoger aandeel woonlasten en minder overige goederen; ook diensten wegen iets minder zwaar. Praktische keuzes in het PLI‑mandje spelen mee: vervoer gaat uit van fiets, ov en een tweedehandsauto in plaats van een nieuwe auto zoals in de CPI. Voor de PLI zijn de prijsontwikkelingen berekend met het NIPE‑model van de ECB; de CPI komt van het CBS.
Tijdreeksen laten wisselende verschillen zien. Voor 2014–begin 2021 liep de PLI‑inflatie gemiddeld hoger dan de CPI (ongeveer 1,7% versus 1,3%), vooral door huurverhogingen in de sociale huursector die in de PLI zwaar wegen. Dergelijke verhogingen worden in Nederland jaarlijks per 1 juli doorgevoerd (bijv. huurbevriezing juli 2021 versus +5,8% in juli 2024) en veroorzaken zichtbare schokken in de PLI. Vanaf medio 2021 en tijdens de energieprijsgolf na de Russische inval in Oekraïne stegen beide indices sterk; daarna bleef de CPI in 2023 langer hoog omdat diensten als vliegvakanties en horeca — die in de PLI nauwelijks voorkomen — flink duurder werden. Begin 2025 liep de PLI opnieuw boven de CPI, wederom gedreven door huurstijgingen.
Niet elke energiecrisis werkt hetzelfde. Een hogere olieprijs (de huidige situatie) tast vooral uitgaven aan brandstof en reisdiensten aan, en zal de CPI waarschijnlijk meer opdrijven dan de PLI, omdat minima weinig benzine gebruiken. Bij een gas‑ en elektriciteitscrisis daarentegen stijgen energierekeningen direct, waardoor zowel CPI als PLI flink kunnen toenemen. Indirecte prijsdoorwerking (bijvoorbeeld hogere productiekosten die voedselprijzen opdrijven) kan beide indices op termijn beïnvloeden, maar of dat tot blijvende uit elkaar lopende inflatiecijfers leidt is onzeker.
Belangrijkste conclusie: de CPI verbergt relevante verschillen in inflatie‑ervaring tussen huishoudens. De PLI laat zien dat mensen op het sociaal minimum structureel andere en vaak zwaardere prijsdruk kunnen voelen, vooral door woonlasten en de samenstelling van hun consumptie. Voor beleid is dat relevant: wie wordt getroffen en welke maatregelen effectief zijn hangt sterk af van de onderliggende mandjes waarvoor je de inflatie meet.
Vandaag Inside: Jan Paul van Hecke: 'Wereldkampioen worden, dan kan het helemaal niet meer stuk!'