Interne markt een succes, maar baten van verdere integratie onzeker
In dit artikel:
De interne markt van de Europese Unie heeft aantoonbaar bijgedragen aan de welvaart, ook in Nederland. Recente studies met moderne onderzoeksmethoden bevestigen dat de Europese economische integratie positieve effecten heeft gehad. De kernvraag is daarom niet langer óf de interne markt baten oplevert, maar hoeveel extra welvaart verdere integratie nog kan creëren en welk deel daarvan beleidsmatig haalbaar is.
Daarbij is voorzichtigheid nodig. Schattingen van de resterende handelsbelemmeringen lopen sterk uiteen. Het IMF, de ECB en de Deense centrale bank komen uit op zeer hoge equivalenten: ongeveer 44 procent voor goederen en 110 procent voor diensten. Head en Mayer ramen de resterende belemmeringen daarentegen op circa 8 procent. De verschillen zijn grotendeels terug te voeren op keuzes in modellen, meetmethoden, onderzoeksperioden en databronnen. Vooral studies die de OESO-dataset TIVA gebruiken, vinden hogere uitkomsten dan studies met traditionele handelsdatasets. Geen enkele schatting kan daarom zonder meer als maatstaf voor beleid worden gebruikt.
Bovendien zijn zogenoemde importheffingsequivalenten geen concrete tarieven die eenvoudig kunnen worden afgeschaft. Ze vatten uiteenlopende grensfricties samen, waaronder administratieve lasten en verschillen in regelgeving, maar ook geografie, consumentenvoorkeuren, taal en de mate waarin producten of diensten onderling vervangbaar zijn. Een hoge grensfrictie voor diensten betekent bijvoorbeeld niet automatisch dat er een even grote beleidsbarrière bestaat: veel diensten zijn lokaal en moeilijk over grenzen heen te leveren. De modellen laten daardoor onvoldoende zien welk deel van de gemeten frictie daadwerkelijk door overheden kan worden weggenomen.
Ook vergelijkingen met landen met lage handelsbarrières, zoals Nederland, bieden slechts beperkt houvast. Ze maken duidelijk hoeveel handel mogelijk zou kunnen toenemen, maar niet welke beleidskeuzes precies verantwoordelijk zijn voor het verschil. Hetzelfde geldt voor vergelijkingen met de Verenigde Staten, omdat verschillen in taal, instituties, mobiliteit, sociale netwerken en economische geografie niet simpelweg door Europese regelgeving zijn op te heffen.
De interne markt heeft vooral vooruitgang geboekt bij goederen, onder meer dankzij de douane-unie, wederzijdse erkenning van productnormen en de CE-markering. Ook sectoren als luchtvaart, telecom en betalingsverkeer zijn verder geïntegreerd. Sinds de jaren 2000 ligt de nadruk meer op politiek gevoelige terreinen zoals diensten, energie, belastingen en kapitaalmarkten. Daar is het laaghangende fruit grotendeels geplukt en verloopt de vooruitgang moeizaam.
De Single Market Strategy van de Europese Commissie en de Nederlandse interne-marktagenda kunnen resterende barrières verder verlagen. Maatregelen tegen territoriale leveringsbeperkingen, verschillen in etikettering en regels voor producentenverantwoordelijkheid zijn nuttig, maar hebben volgens de Europese Commissie waarschijnlijk een beperkte macro-economische impact. Grotere economische effecten zijn mogelijk via verdergaande harmonisatie van ondernemings-, vennootschaps- en belastingrecht, betere erkenning van beroepskwalificaties, een uniformere toepassing van EU-regels en de voltooiing van de banken- en kapitaalmarktunie. Zulke hervormingen raken echter aan nationale soevereiniteit, juridische stelsels, toezicht en onderling vertrouwen.
Verdere verdieping van de interne markt is daarom vooral een politiek vraagstuk. Beleidsmakers moeten onderscheid maken tussen belemmeringen die door efficiënter beleid kunnen verdwijnen en structurele fricties die voortkomen uit geografische afstand, taal, voorkeuren en de aard van bepaalde sectoren. De bestaande studies tonen overtuigend aan dat integratie welvaart oplevert, maar geven nog geen betrouwbaar antwoord op de omvang van de resterende, daadwerkelijk realiseerbare winst.
Vandaag Inside: René geniet van jarige Dick Advocaat: ‘Blijf dat lekker tot je dood doen!’