Naar een neutrale vermogenswinstbelasting
In dit artikel:
Het wetsvoorstel voor belasting op het werkelijke rendement in box 3, dat al door de Tweede Kamer is aangenomen maar bij de Eerste Kamer stilligt, wil de huidige forfaitaire vermogensbelasting vervangen. Voor liquide bezittingen, zoals beursgenoteerde aandelen, zou de jaarlijkse waardestijging worden belast. De auteurs vinden een vermogensaanwasbelasting theoretisch verdedigbaar, maar wijzen op uitvoeringsproblemen bij moeilijk verhandelbare aandelen. Vooral aandeelhouders van jonge ondernemingen kunnen in de problemen komen als zij belasting moeten betalen over een nog niet gerealiseerde waardestijging en daarvoor geld aan de onderneming moeten onttrekken.
Een alternatief waarbij alleen gerealiseerde vermogenswinsten worden belast, voorkomt dat probleem, maar stimuleert belastingplichtigen om verkoop uit te stellen. Dat benadeelt groeiende bedrijven die afhankelijk zijn van extern eigen vermogen ten opzichte van gevestigde ondernemingen die met ingehouden winst investeren. Daarom stellen de auteurs, naar Noors voorbeeld, een aandeelhoudersbelasting voor. Die geldt alleen voor aandelen en zou de behandeling van aandeelhouders in box 3 en directeur-grootaandeelhouders in box 2 zoveel mogelijk gelijkmaken.
Onder het voorstel worden dividend en gerealiseerde koerswinst verminderd met een vrijgesteld normaal rendement. Dat rendement wordt berekend op basis van de rente op middellange staatsobligaties en de fiscale waarde van het aandeel. Alleen het resterende bovennormale rendement wordt belast tegen 36 procent. Als winst nog niet wordt gerealiseerd, wordt de niet-benutte rendementsaftrek bij de fiscale waarde van het aandeel opgeteld. Bij verkoop wordt daardoor alsnog rekening gehouden met het rendement dat de aandeelhouder had kunnen behalen door belasting eerder te betalen. Zo verdwijnt de algemene fiscale prikkel om verkoop uit te stellen.
Uitstel blijft volgens de auteurs alleen aantrekkelijk als de onderneming naar verwachting een hoger rendement oplevert dan de kapitaalmarkt. Daarmee zou de regeling voorkomen dat winst langdurig wordt opgepot in weinig productieve bedrijven, terwijl investeringen in jonge en innovatieve ondernemingen juist worden ondersteund. Bij zulke bedrijven kunnen zowel aandeelhouder als overheid belang hebben bij uitstel: het extra rendement boven de staatsrente wordt bij realisatie tussen beide verdeeld.
De voorgestelde belasting zou ook voor dga’s gelden, ongeacht de omvang van hun belang en ongeacht of de onderneming binnen- of buitenlands is. Daardoor zou het verschil tussen box 2 en box 3 verdwijnen en wordt het minder aantrekkelijk om arbeidsinkomen om te zetten in lager belast kapitaalinkomen. De rendementsaftrek bevordert bovendien een neutralere keuze tussen eigen en vreemd vermogen. Omdat rente op vreemd vermogen aftrekbaar is in de vennootschapsbelasting, worden aandelen nu relatief benadeeld; de aftrek voor het normale rendement compenseert dat deels.
Een ander voordeel is dat inflatie niet automatisch wordt belast. Bij een rendement van 5 procent, 3 procent inflatie en een tarief van 36 procent zou zonder correctie een groot deel van de belasting op het reële rendement drukken. Met een rendementsaftrek wordt alleen de reële, bovennormale opbrengst belast.
De gevolgen voor de schatkist moeten nog worden berekend. De aftrek verlaagt de belastinggrondslag, maar hogere investeringsrendementen en het samenvoegen van box 2 en box 3 kunnen de opbrengsten verhogen. Als de opbrengst te laag uitvalt, kan de aftrek worden beperkt tot een inflatiecorrectie, eventueel aangevuld met een retrospectieve belasting die uitstelkosten bij realisatie verrekent. Volgens de auteurs leidt het voorstel tot een rechtvaardiger stelsel, meer concurrentie en innovatie en een diepere Nederlandse kapitaalmarkt. Zij verwijzen daarbij ook naar Noorwegen, waar een vergelijkbare hervorming volgens hen de economische opleving heeft ondersteund.
Vandaag Inside: Johan Derksen kijkt uit naar nieuw SBS6-programma Sing With Me: 'Het lijkt mij héél leuk!'