Niet alleen niveau, maar ook opleidingsrichting bepaalt arbeidsmarktsucces

vrijdag, 1 mei 2026 (21:57) - ESB.nl

In dit artikel:

Onderzoek dat alle opleidingsrichtingen in Nederland over mbo, hbo en wo vergelijkt, laat zien dat de keuze van richting minstens zo bepalend is voor arbeidsmarktsucces als het onderwijsniveau zelf. Met gebruik van het integrale Studie & Werk‑bestand van SEO (gekoppeld aan CBS‑microdata) volgen de auteurs cohorten gediplomeerden in Nederland vijftien maanden en tien jaar na afstuderen. De korte termijnanalyse betreft de afstudeerjaren 2021/2022 en 2022/2023; de lange termijn kijkt naar cohorten 2012/2013 en 2013/2014. Studenten die doorstuderen of emigreren zijn uitgesloten.

Wat is onderzocht
- Uitkomstmaten: maandloon uit loondienst, het hebben van een vast contract (indien werkend) en het hebben van een baan van minimaal drie dagen per week.
- Differentiatie binnen mbo naar niveaus (2, 3, 4) en leerwegen: beroepsopleidende leerweg (bol, meer schoolgericht met stages) en beroepsbegeleidende leerweg (bbl, werken bij een leerbedrijf met schoolonderwijs).
- Opleidingen zijn gegroepeerd op CROHO/CREBO‑niveau in 75 wo‑, 72 hbo‑ en meerdere mbo‑clusters en vervolgens geaggregeerd naar ISCED‑categorieën.
- Analyses gebruiken regressiemodellen met controles (geslacht, leeftijd, migratieachtergrond, ouderlijk opleidingsniveau, vooropleiding, werkervaring tijdens studie, afstudeerjaar) en schatten marginale effecten; smearing‑estimator corrigeert loonschattingen uit log‑lineaire modellen.

Belangrijkste bevindingen
1. Maandloon: zowel niveau- als richtingsverschillen
- Gemiddeld verdienen wo‑afgestudeerden het meest, gevolgd door hbo; mbo‑bol staat het laagst op de loonladder één jaar na afstuderen.
- Binnen elk niveau is echter grote spreiding: sommige mbo‑richtingen overstijgen loonopbrengsten van bepaalde hbo‑ of wo‑richtingen. Dit toont dat het opleidingsniveau op zichzelf niet alles verklaart.
- In domeinen als economie, administratie en recht is de hiërarchie duidelijk (wo > hbo > mbo), terwijl in techniek, industrie en bouw of in wiskunde/natuurkunde de overlap tussen niveaus veel groter is. Bbl‑opleidingen scoren qua loon vaak rond het hbo‑niveau en in techniek soms hoger dan hbo.
- Tien jaar na afstuderen groeien de loonverschillen tussen niveaus verder; wo‑opleidingen laten de sterkste loongroei zien. Bol‑gediplomeerden tonen een inhaaleffect ten opzichte van bbl: bbl heeft een voorsprong bij arbeidsmarktintrede (door werkervaring), maar bol haalt op lange termijn veelal in.

2. Vast contract: voordeel voor bbl, verschillen nemen af
- Eén jaar na afstuderen hebben bbl‑gediplomeerden relatief vaak een vaste aanstelling; bol‑gediplomeerden relatief weinig. Binnen richtingen is de variatie groot: in dezelfde sectoren lopen kansen op een vast contract van circa 30% tot 80%+.
- Na tien jaar ligt het aandeel vaste contracten onder werkenden bij de meeste opleidingen boven de 80% en zijn de verschillen tussen niveaus kleiner. Bol blijft gemiddeld achter bij bbl, hbo en wo, maar de kloof neemt af. Sommige richtingen (o.a. kunst, taal, geschiedenis, dienstverlening) kennen zowel kort als langjarig een lager aandeel vaste contracten.

3. Omvang van werk (≥3 dagen/week): beperkte verschillen
- De kans op een baan van ten minste drie dagen per week verschilt relatief weinig tussen opleidingen, zowel op korte als lange termijn. Verschillen die er zijn, hangen deels samen met toenemend aandeel zelfstandigen in bepaalde richtingen; daardoor daalt in veel gevallen de kans op een baan in loondienst van minimaal drie dagen na tien jaar.

Waarom dit belangrijk is
- Beleidsmatig is het relevant nu de krapte op de arbeidsmarkt groot is in sectoren als zorg, techniek en onderwijs, en de coalitie recent het mbo wil herwaarderen en betere voorlichting over baankansen wil bevorderen. Deze studie onderbouwt dat waardering voor mbo — en met name werkplekleren via bbl — op concrete arbeidsmarkteffecten stoelt: betere startinkomens en meer vaste contracten voor bbl‑gediplomeerden.
- Voor scholieren en studiekeuzeadviseurs benadrukt het onderzoek dat het vakgebied oftewel de opleidingsrichting een cruciale rol speelt. Een hoger onderwijsniveau garandeert niet automatisch betere arbeidsuitkomsten als de gekozen richting minder vraag of beloning kent.

Beperkingen en nuance
- De analyse sluit doorstromers en emigranten uit, waardoor resultaten betrekking hebben op directe arbeidsmarktintrede en carrière in Nederland.
- De verklarende factoren achter verschillen — zoals werkgeverspreferenties, arbeidsmarktstructuur binnen subsectoren, of individuele loopbaankeuzes — worden niet volledig ontleed; wel worden systematische verschillen geïdentificeerd na correctie voor veel demografische en achtergrondvariabelen.

Korte synthese
Opleidingsrichting blijkt minstens zo doorslaggevend als opleidingsniveau voor loon, contractzekerheid en omvang van werk. Werkleertrajecten (bbl) bieden sterke korte‑termijnvoordelen in salaris en vaste aanstelling; bol‑trajecten tonen een inhaaleffect in loon op langere termijn. Voor beleid en studiekeuze betekent dit: focus niet alleen op “hoger” versus “lager” onderwijs, maar vooral op welke richting en opleidingsvorm aansluiting biedt op de arbeidsmarkt.