Planetaire grenzen zijn geen feiten
In dit artikel:
Het concept van planetaire grenzen wordt steeds belangrijker in het Nederlandse beleidsdebat. Gemeenten, ministeries, kennisinstellingen en economen gebruiken het raamwerk om de speelruimte voor een duurzame economie te bepalen. In recente voorstellen worden de grenzen voorgesteld als leidraad voor begrotingen, investeringen en economische berekeningen, soms zelfs als niet-onderhandelbare voorwaarden waarbinnen de politiek moet opereren.
Die voorstelling doet volgens de auteur onvoldoende recht aan het normatieve karakter van planetaire grenzen. De grenzen zijn niet simpelweg natuurwetenschappelijke feiten. Wetenschappers kunnen risico’s, onzekerheden en mogelijke kantelpunten in het aardsysteem in kaart brengen, maar niet zelfstandig bepalen hoeveel risico de samenleving mag accepteren.
Daarbij is het belangrijk onderscheid te maken tussen een drempelwaarde en een grens. Een drempelwaarde of kantelpunt is een biofysisch omslagpunt waarop een geleidelijke verandering kan leiden tot een grote, onomkeerbare of zichzelf versterkende verandering, zoals bij het mogelijk versneld smelten van de Groenlandse ijskap. Zo’n punt is echter vaak onzeker en niet voor elk planetair proces bestaat er een mondiaal kantelpunt. Daarom worden grenzen op enige veilige afstand van een mogelijk gevaarlijke zone gelegd. Hoe groot die veiligheidsmarge moet zijn, is geen wetenschappelijke maar een politieke en maatschappelijke keuze.
Die keuze hangt samen met opvattingen over risico, onzekerheid, kosten en rechtvaardigheid. Een risicozoekende samenleving kan een grens dichter bij een kantelpunt leggen, terwijl een risicoaverse samenleving meer afstand wil houden. Strengere grenzen beperken mogelijk de schade voor kwetsbare landen en toekomstige generaties, maar brengen ook hogere kosten voor huidige generaties met zich mee. Wetenschappelijke analyses of kosten-batenberekeningen kunnen deze waardenconflicten niet definitief beslechten, zeker niet wanneer kansen op kantelpunten onbekend zijn. Ook het begrip rechtvaardigheid kan tot verschillende conclusies leiden: sommigen pleiten voor strengere grenzen om kwetsbare bevolkingen te beschermen, terwijl anderen vooral een eerlijke verdeling van de kosten van klimaatbeleid benadrukken.
De auteur sluit hiermee aan bij de zogenoemde technocratische kritiek. Wanneer planetaire grenzen worden gepresenteerd als objectieve, onveranderlijke limieten, blijft verborgen dat experts en beleidsmakers vooraf normatieve keuzes maken. Hoewel grondleggers van het raamwerk dit normatieve element erkennen, worden de grenzen in beleidsdocumenten en recente Nederlandse publicaties nog vaak gepresenteerd als de wetenschappelijke fysieke basis die de beleidsruimte bepaalt. Daardoor dreigt democratische legitimiteit te ontbreken.
Dat betekent niet dat wetenschappelijke kennis over het aardsysteem terzijde moet worden geschoven. Wetenschappers zijn nodig om risico’s en mogelijke gevarenzones zichtbaar te maken, terwijl politici en burgers moeten bepalen welke risico’s onaanvaardbaar zijn en welke offers gerechtvaardigd zijn. De auteur pleit daarom voor een iteratief en dialogisch proces waarin experts waarschuwen, en burgers en beleidsmakers via democratische deliberatie de gewenste grenzen vaststellen. De klimaat- en biodiversiteitspanels bieden daarvoor al een gedeeltelijk voorbeeld. Een dergelijke aanpak is traag en kent zelf problemen rond inspraak van kwetsbare groepen en toekomstige generaties, maar is volgens de auteur te verkiezen boven een top-downmodel waarin politieke keuzes als wetenschappelijke feiten worden gepresenteerd.
Vandaag Inside: Johan Derksen: 'Die man kan bij mij nooit meer wat goed doen!'