Promotie: Laura Jansen
In dit artikel:
De instroom in de Nederlandse arbeidsongeschiktheidsverzekering (WIA) is de afgelopen jaren fors gestegen, mede door vergrijzing en de hogere pensioenleeftijd. In dit onderzoek staat de vraag centraal hoe het stelsel zo kan worden ingericht dat het zowel inkomensbescherming biedt aan zieke werknemers als de prikkel om aan het werk te blijven behoudt.
De kern van de analyse is dat niet alleen werknemers, maar ook werkgevers reageren op regels en financiële prikkels. Werkgevers kunnen met maatregelen als aangepaste taken, flexibele werktijden of hulpmiddelen voorkomen dat zieke medewerkers uitstromen naar de WIA. Tegelijk kan een strengere of duurdere regeling ook neveneffecten hebben, zoals terughoudendheid bij het aannemen van mensen met een groter gezondheidsrisico.
Op basis van een theoretisch model laat de onderzoeker zien dat de optimale hoogte van uitkeringen, de strengheid van keuringen en premiedifferentiatie afhangen van het gedrag van beide partijen. Die premiedifferentiatie — waarbij werkgevers meer betalen naarmate er meer ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid is — moet dus zorgvuldig worden vormgegeven.
De theorie wordt daarna getoetst met Nederlandse beleidswijzigingen en gegevens van UWV en enquêtes. Daarbij blijkt geen duidelijk effect van premiedifferentiatie op het aantal werkplekaanpassingen voor langdurig zieke werknemers. Wel krijgen werknemers met een tijdelijk contract structureel minder ondersteuning dan collega’s met een vast contract. Ook blijkt dat het schrappen van de medische keuring voor zestigplussers die een WIA-aanvraag deden slechts weinig extra aanvragen opleverde, maar wel samenhing met een merkbare daling van de werkgelegenheid.
De belangrijkste conclusie: effectief arbeidsongeschiktheidsbeleid moet rekening houden met zowel werknemers als werkgevers, omdat ingrepen in het stelsel gevolgen hebben voor beide kanten van de arbeidsmarkt.
De Oranjezomer: Wat kan er worden gedaan om van Gianni Infantino als FIFA-voorzitter af te komen?