Sectorale prijsverschillen vertekenen Nederlandse productiviteitscijfers
In dit artikel:
De gebruikelijke maat voor arbeidsproductiviteit — bruto toegevoegde waarde per gewerkt uur — overschat de daadwerkelijke efficiëntie van sectoren doordat ze geen rekening houdt met internationale prijsverschillen tussen verhandelbare en niet‑verhandelbare goederen en diensten. Dit artikel wijst erop dat die vertekening vooral wordt veroorzaakt door het Balassa‑Samuelson‑mechanisme: productiviteitsstijgingen in internationaal verhandelbare sectoren leiden tot hogere lonen, die zich via arbeidsmarkt- en prijsdruk doorverteren naar lokaal bepaalde (niet‑verhandelbare) sectoren. Voor die laatste betekent dat hogere nominale toegevoegde waarde per uur zonder dat de fysieke output of productiviteit per uur daadwerkelijk toeneemt — denk aan een kapper die meer verdient omdat de lokale lonen omhooggaan, terwijl een knipbeurt niet sneller of beter wordt.
Omdat beleidsmakers internationaal vergelijkende cijfers gebruiken om keuzes te onderbouwen, is een correcte inschatting van relatieve productiviteit essentieel. De auteurs volgen de methode van Inklaar et al. (2023) en presenteren twee alternatieve correcties. Ten eerste corrigeren zij sectorale toegevoegde waarde per uur voor verschillen in sectorale prijsniveaus: ze construeren prijsdeflatoren door productniveau‑prijsdata te koppelen aan sectoren en maken aparte indices voor output en intermediaire inputs. Deze “volumemaatstaf” filtert prijsgestuurde verschillen weg en geeft een beter beeld van fysieke productiviteit binnen sectoren. Nadelen van die methode zijn dat lokale kwaliteitsverschillen moeilijk meetbaar blijven en dat kwalitatieve verbeteringen in dienstverlening deels worden weggefilterd; bovendien zijn de gecorrigeerde cijfers alleen binnen dezelfde sectoren cross‑country vergelijkbaar.
De belangrijkste bevindingen na correctie:
- Nederland blijft tot de Europese top behoren in verhandelbare sectoren (bijvoorbeeld industrie), ook na prijscorrectie.
- In minder verhandelbare sectoren — logistiek, handel & horeca, bouw — verliest Nederland echter zijn koppositie; deze sectoren blijken veel gevoeliger voor het Balassa‑Samuelson‑effect. Door de zwakkere prestaties in niet‑verhandelbare sectoren verschuift Nederland in de gehele economie van ongeveer de top 10 procent naar de top 25 procent binnen de eurozone.
- De productiviteitsachterstand van Nederland ten opzichte van de VS neemt na correctie ook af ten opzichte van het zuiver nominale beeld, maar blijft significant. De VS‑voorsprong hangt samen met de opkomst van tech en zakelijke diensten, maar is niet uitsluitend daarin gelegen; ook in diverse verhandelbare sectoren blijft de VS voorlopen. Tegelijkertijd vallen sommige Amerikaanse sectoren (handel & horeca, landbouw, bouw) na correctie veel minder gunstig uit omdat ze hoge intermediaire inputprijzen hebben.
Als tweede stap corrigeren de auteurs voor nationale prijsniveaus met een koopkrachtmaat (AIC‑PPP: purchasing power parities gebaseerd op individueel consumptieperspectief). Dit brengt productiviteit terug naar een welvaartsmaatstaf: wat een gewerkt uur in termen van consumptiemogelijkheden waard is. De uitkomst is dat het verschil in consumptie‑equivalente toegevoegde waarde per gewerkt uur tussen de VS en Nederland veel kleiner is dan het nominale productiviteitsverschil suggereert. In werkelijke prijzen was de Amerikaanse toegevoegde waarde per uur bijna 50% hoger; na AIC‑PPP‑correctie blijft een verschil van circa 15% over. Voor sectoren betekent dit dat, hoewel de Amerikaanse industrie in volumetermen productiever is, een gewerkt uur in de Nederlandse industrie meer consumptie‑equivalente waarde kan opleveren — mits een werknemer een vergelijkbaar deel van die toegevoegde waarde ontvangt. Opmerkelijk is dat koopkrachtcorrectie de verschillen binnen de eurozone verder comprimeert: één euro in een laagprijsland koopt meer dan één euro in Nederland.
Beleidsimplicaties en beperkingen:
- Voor gericht productiviteitsbeleid is het cruciaal sectorale prijsverschillen mee te nemen; focussen alleen op bruto toegevoegde waarde per uur kan misleiden en verkeerde prioriteiten opleveren.
- Nederland moet, naast het behouden van sterke verhandelbare sectoren, meer aandacht besteden aan productiviteitsgroei in niet‑verhandelbare sectoren (zoals bouw) om in termen van daadwerkelijke output per uur concurrerend te blijven.
- De gehanteerde correcties geven een genuanceerder beeld van de relatie tussen productiviteit en welvaart: hogere productiviteit vertaalt zich niet automatisch in meer consumptieve welvaart per gewerkt uur, zeker in landen met dure diensten (bijv. zorg en onderwijs).
- Methodologische beperkingen blijven bestaan: kwaliteitseffecten en verschillen in arbeidsduur (uren per werknemer) beïnvloeden de uiteindelijke welvaartsvergelijking en zijn moeilijk volledig te kwantificeren met de gebruikte cijfers.
Kortom: het artikel pleit voor het gebruik van sectorale prijsgecorrigeerde en koopkrachtgecorrigeerde productiviteitsmaatstaven om internationale vergelijkingen en beleid te baseren op een realistischer beeld van wat een gewerkt uur in feite oplevert.
De Oranjezomer: Hugo Borst maakt statement tegen Ronaldo: 'Er is een complot gaande...'