Spaaroverschot Nederland lager na aanpassing voor ingehouden winsten
In dit artikel:
Een aanzienlijk deel van het Nederlandse spaaroverschot vloeit voort uit ingehouden winsten van beursgenoteerde multinationals die op papier aan de bedrijven zelf worden toegerekend, terwijl de economische baten daarvan vaak bij buitenlandse aandeelhouders terechtkomen via koersstijgingen. Als die ingehouden winsten in plaats van bij de onderneming aan de beleggers worden toegerekend, blijkt het Nederlandse spaaroverschot lager en verschuift de verdeling van sparen tussen huishoudens en bedrijven.
Nederland heeft sinds de jaren tachtig structureel meer verdiend dan uitgegeven; het lopende-rekeningoverschot nam toe van gemiddeld 5,1% van het bbp (2000–2009) naar 7,3% (2010–2019) en 8,3% (2020–2024). Dat overschrijdt al jarenlang de 6%-grens die de Europese Commissie gebruikt als waarschuwingsindicator voor macro-economische onevenwichtigheden. Een groot deel van dit overschot wordt doorgaans toegeschreven aan bedrijfsbesparingen, met name van multinationals die in Nederland zijn gevestigd maar waarvan veel aandelen in buitenlandse handen zijn.
Probleem in de statistiek is dat ingehouden winsten alleen als inkomen aan aandeelhouders worden gerekend wanneer ze daadwerkelijk worden uitgekeerd (dividend). Ingehouden winsten tellen als bedrijfsbesparing en verhogen daarmee het spaaroverschot. Alleen bij deelnemingen groter dan 10% worden ingehouden winsten wél aan de investeerder toegerekend. Deze methodiek maakt de statistiek gevoelig voor juridische of pro-forma bedrijfsverplaatsingen naar Nederland en voor de manier waarop winst wordt uitgekeerd (dividend versus aandeleninkoop). Topholdings van multinationals werden tussen 2014 en 2024 belangrijker: hun marktwaarde groeide van circa 20% naar circa 50% van het Nederlandse bbp. Daarnaast nam het aandeel aandeleninkopen in totale winstuitkeringen toe tot ongeveer 50% in 2021–2024; buybacks tellen in de huidige statistiek echter niet als directe inkomenstoerekening aan beleggers.
De auteurs bouwen een alternatieve maatstaf door per jaar granulaire DNB-data over grensoverschrijdend effectenbezit te koppelen aan winstcijfers van LSEG. Op basis van waargenomen aandelenbezit worden bedrijfswinsten proportioneel toegerekend aan zowel de passiva (buitenlandse bezit in Nederlandse bedrijven) als de activa (Nederlanders’ bezit in buitenlandse bedrijven). Daarmee worden ingehouden winsten toegerekend aan de uiteindelijke beleggers in plaats van aan de onderneming. De methode biedt nauwkeurigheid doordat ze uitgaat van daadwerkelijk eigendom, maar bevat ook aannames en bijramingen; de gepresenteerde cijfers zijn dus een ruwe schatting.
Resultaat: in 2018–2020 verliezen activa en passiva elkaar grotendeels op, maar vanaf 2021 wegen de ingehouden winsten op de passiva zwaarder dan op de activa. Daardoor komt het spaaroverschot onder de alternatieve definitie in 2021–2024 gemiddeld 1,3 procentpunt van het bbp lager uit dan de officiële maatstaf. Daarnaast verschuift de sectorale verdeling: huishoudens krijgen meer toerekening van opbrengsten via hun pensioenfondsen en beleggingsfondsen, waardoor hun besparingen gemiddeld met 22,5% stijgen over 2018–2024 en de huishoudspaarquote van 16,6% naar 19,5% van het bbp opschuift. Nederlandse bedrijven laten een daling van de spaarquote zien, van 14,6% naar 13,5% van het bbp, dichter bij het EU-gemiddelde. Deze veranderingen hangen samen met de samenstelling van multinationals in Nederland: bedrijven die relatief veel dividend uitkeerden verlieten soms Nederland, terwijl binnengehaalde topholdings doorgaans minder dividend uitkeerden.
Belangrijke implicaties: de huidige officiële toerekening maakt het spaaroverschot gevoelig voor administratieve bedrijfskeuzes (vestigingsplaats, vorm van winstuitkering) en verzwakt de samenhang met het extern vermogen. Als ingehouden winsten in praktijk via koersstijgingen bij buitenlandse aandeelhouders belanden, leidt dit niet tot een opbouw van Nederlands vermogen in het buitenland maar tot een stijging van de effectenschuld aan het buitenland. Het alternatieve meetinstrument beperkt zulke verstoringen en geeft beleidsmakers een robuuster beeld van wie in de economie spaart.
Het alternatieve cijfer verklaart het spaaroverschot niet volledig: ook na toerekening blijft het overschot substantieel en boven de 6%-grens. De gevonden effecten zijn vergelijkbaar met of vaak lager dan eerdere ruwe schattingen van andere organisaties. Andere structurele factoren — vergrijzing, hoog inkomen per hoofd — blijven aanvullende verklaringen leveren. Omdat veel landen vergelijkbare aanpassingen zouden laten zien, verandert de internationale vergelijking deels, maar wegens de uitzonderlijk grote internationale effectenpositie van Nederland zijn de veranderingen hier waarschijnlijk groter dan bij de meeste andere EU-landen (uitgezonderd financiële centra zoals Luxemburg of Ierland).
Tot slot: de alternatieve maatstaf is momenteel een vrijwillig aanvullend cijfer, in lijn met internationale statistiekregels, maar het IMF (BPM7) en onderzoekers pleiten voor bredere discussie over aanpassing van de officiële berekeningswijze. Voor beleidsmakers biedt de alternatieve benadering extra inzicht — minder gevoelig voor parate bedrijfsbeslissingen — maar het vervangt niet de noodzaak om ook naar fundamentele economische drijfveren van het spaaroverschot te kijken.
Vandaag Inside: Bart Verbruggen ging flink tekeer: 'Ik probeerde iedereen heel scherp te houden'