Uitzendkrachten hoeven na rechterlijke uitspraak niet op vast contract te rekenen
In dit artikel:
De rechtbank in Den Haag heeft onlangs geoordeeld dat een Poolse medewerker van Albert Heijn, die al zeven jaar via uitzendkrachtconstructies werkte, recht heeft op een vast dienstverband. De rechter vond dat het langdurig inzetten van de werknemer via opeenvolgende uitzendopdrachten misbruik van de uitzendconstructie was en weigerde daarin mee te gaan.
De uitspraak kwam tot stand nadat vakbond FNV samen met de werknemer tegen Albert Heijn procedeerde. De FNV noemt het een belangrijke overwinning en zegt dat veel bedrijven vergelijkbare praktijken hanteren; de bond inventariseert momenteel gevallen in verschillende sectoren en roept uitzendkrachten die langer dan drie jaar op dezelfde plek werken zich te melden.
Arbeidsrechtadvocaat Maarten van Gelderen benadrukt dat dit soort vonnissen zeldzaam is. Werkgevers gebruiken volgens hem vaak 'draaideurconstructies' om een flexibele schil te behouden, en veel laagbetaalde uitzendkrachten hebben niet de financiƫle middelen of kennis om een zaak te starten. Hoogleraar sociaal recht Miriam Kullmann wijst erop dat de Nederlandse wet geen algemene wettelijke termijn bevat waarna een uitzendkracht automatisch recht heeft op een vast contract (de door haar genoemde grens van 36 maanden bestaat niet in nationale wetgeving). Wel volgt die limiet uit Europese regels, waardoor de Haagse uitspraak als voortvarend en uitzonderlijk wordt gezien.
De uitspraak kan anderen aansporen tot juridische stappen of collectieve acties via vakbonden, maar deskundigen waarschuwen dat dit niet zonder meer leidt tot een grote golf rechtszaken en dat hoger beroep nog mogelijk is.