Weeg veiligheidsbelangen bij tegengaan fragmentatie Europese defensiemarkt

donderdag, 7 mei 2026 (00:12) - ESB.nl

In dit artikel:

De defensiemarkt wijkt wezenlijk af van normale markten: overheden zijn vrijwel de enige afnemers, strategische belangen wegen zwaar en productiekosten en kennisdrempels zijn hoog. Daardoor ontstaan sterke concentraties in sommige segmenten (bijv. fregatten of groot vliegend materieel met dominante spelers als Airbus), terwijl andere markten, zoals kleine drones, juist veel concurrerende aanbieders kennen. Naarmate materieel complexer wordt, neemt het aantal alternatieven af en kunnen weinig leveranciers veel marktmacht verwerven; in het uiterste geval staan monopolistische producenten tegenover monopsonistische overheden.

Overheden beslissen in defensie-inkoop om meer redenen dan prijs alleen: beschikbaarheid op tijd, herkomst (bij voorkeur nationaal of Europees), behoud van technologische capaciteit en veiligheidsoverwegingen spelen mee. Het verlies van industriële capaciteit is moeilijk te herstellen, waardoor staten en leveranciers langetermijnbelangen meewegen bij contracten. Dat verklaart waarom EU-mededingings- en staatssteunregels hier minder stringent doorwerken en waarom veel landen actief ingrijpen aan de aanbodzijde.

Financieel en technologisch profiel: Nederlandse defensiebedrijven scoren relatief bescheiden winstmarges (gemiddeld 5,4% in 2019–2023 voor een selectie van 29 grote bedrijven) ten opzichte van het brede industriegemiddelde (7,4%). Tegelijk is de sector relatief innovatief: R&D-uitgaven in de Nederlandse defensie- en veiligheidsindustrie lagen in 2023 rond 11% van de omzet, tegen 6,7% voor het totale bedrijfsleven. Recent hogere defensie-uitgaven en beleidswijzigingen — zoals de Nederlandse Defensie-strategie 2025–2029 die levertijd en herkomst zwaarder laat meewegen naast prijs — kunnen marges op termijn opdrijven.

Regionale variatie in staatsoptreden is groot. Zuid-Europese landen, met name Frankrijk en Italië, promoten vaak national-champion bedrijven (soms staatsbezit) en zetten exportbeleid in om ontwikkelingskosten over grotere series te spreiden en zo strategische autonomie te versterken. Dit levert zichtbare exportresultaten op: Frankrijk en Italië hebben grotere shares in de wereldwijde wapenexport dan Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, ook al zijn sommige landen economisch groter of besteden meer aan defensie. Die promotiestrategie kan echter operationele trade-offs betekenen: Italië verkocht bijvoorbeeld schepen bestemd voor eigen marine om productieseries te handhaven, waardoor de nationale vloot langer moest wachten.

In West-Europa is de staatsrol traditioneel minder direct, maar beleidsinterventies komen voor om bedrijven te beschermen tegen ongewenste overnames of om cruciale capaciteit te behouden. Duitsland is recent actiever geworden: staatsdeelnemingen en afspraken (bijv. rond Hensoldt, mogelijk KNDS, en een tienjarig commitment met ThyssenKrupp Marine Systems) moeten kennis, banen en productie binnenlands houden. Tegelijkertijd bestaan er zeer grote private spelers, zoals Rheinmetall, die snel konden opschalen. Noord-Europese landen (Zweden, Finland) leggen sterk de nadruk op zelfredzaamheid: Zweden combineert een technologisch sterke exportgerichte industrie met staatssteun, Finland gebruikt deels staatsdeelneming (Patria) om binnenlandse bevoorrading en samenwerking met private partijen te verankeren. Oost-Europese industrieën tonen vaak verregaande staatcontrole; organisaties als Poolse PGZ leveren primair aan nationale strijdkrachten en richten zich minder op export.

Het Europese debat over marktordening en opschaling speelt simultaan met beleidsinitiatieven zoals de EU White Paper over defensie (2025) en aanbevelingen in het Draghi-rapport. Potentiële efficiencywinst is substantieel: het verminderen van fragmentatie bij defensie-inkoop kan naar schatting meer dan €10 miljard per jaar opleveren. Toch staan nationale veiligheidsbelangen vaak haaks op economische argumenten voor harmonisatie; landen interpreteren begrippen als “strategische autonomie” en “bevoorradingszekerheid” verschillend, wat beleidscoördinatie bemoeilijkt en hervormingen met duidelijke winnaars en verliezers opzadelt.

Vooruitblik: een gedeelde Europese visie op de doelen van de defensie-industrie is essentieel om integratie- en opschalingsdoelen haalbaar te maken. Dat vereist erkenning van uiteenlopende geopolitieke posities en nationale prioriteiten. Economen en beleidsmakers kunnen bijdragen door mechanismen te ontwerpen die nationale zorgen over schaal, locatie en bevoorrading efficiënt inbedden binnen bredere Europese structuren — bijvoorbeeld door gezamenlijke aanbestedingen, gedeelde investeringsfondsen of gerichte partnerships — maar zulke instrumenten moeten gevoelig zijn voor de strategische en politieke dimensies van defensie. Begrip van de uiteenlopende nationale marktinrichtingen en hun beweegredenen is daarmee een voorwaarde voor zinvolle Europese afstemming.